Standhouden in verwachten

 

"Maar laten wij, die van de dag zijn, nuchter zijn, bekleed met het borstharnas van geloof en liefde, en met de hoop op de zaligheid als helm. (1 Thessalonicenzen 5:8)

 

Als we niet van de duisternis zijn, dan kan het best zo zijn dat Jezus voor ons niet als een dief in de nacht komt, maar hoe houden we dan de verwachting van Jezus levend in ons leven? De gemeente van Thessalonica zou niet verrast worden als Jezus ineens er zou zijn, maar ik weet niet hoe het jou vergaat, maar elke dag Jezus verwachten gaat mij niet altijd even gemakkelijk af. Sterker nog, als we om ons heen kijken wat er allemaal op ons afkomt, dan lijkt het soms onmogelijk om de verwachting vast te houden. Paulus geeft aan de gemeente van Thessalonica vier dingen mee. De eerste twee zullen we vandaag behandelen en de andere twee morgen.

In de eerste plaats zegt Paulus tegen de gemeente van Thessalonica dat ze nuchter moeten blijven. Degenen die Jezus niet verwachten vergelijkt Paulus met slapende en dronken mensen. Maar kinderen van het Licht moeten nuchter blijven. Dat deden ze in ieder geval niet. Ze waren zelfs gestopt met werken en ze waren helemaal van slag dat er als gelovigen overleden waren. En wij, zijn wij altijd zo nuchter? Als we zien wat er in de wereld gebeurd, dan zou je toch gaan twijfelen aan de komst van Jezus? Zou Hij ooit nog wel komen? Kijk eens wat IS doet, kijk eens wat een oorlog en afbreuk in deze wereld.

 

Maar blijf nuchter en besef dat dit alles moet gebeuren en dat achter elke macht, de macht van de duisternis schuilgaat. Als we zo naar het hele wereld gebeuren blijven kijken, met het besef dat het lijden van deze tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid die aan ons geopenbaard zal worden, dan blijven we zien op de beloofde komst van Jezus.

 

En tegelijk roept Paulus ons op om ons als een soldaat in het harnas te hijsen. Aan de ene kant moeten we ons kleden met het borstharnas van geloof en liefde. In Efeze noemt Paulus hierbij de gerechtigheid. Het geloof dus dat wij in Christus rechtvaardig zijn en Zijn gerechtigheid hebben ontvangen. Blijf dat beseffen, want als je dit kwijtraakt, heb je niets meer. Dan verdwijnt je zekerheid en zou je bang worden voor de komst van Jezus. Dan blijft er angst over omdat we dan nog steeds zondaar zouden zijn. Maar Jezus heeft ons rechtvaardig gemaakt en we zijn heilig door Hem. En tegelijk heeft de gerechtigheid uit Efeze 6 ook te maken met de liefde die Paulus hier bedoeld. Gerechtigheid ontvangen is één, maar gerechtigheid leven is twee. Hoe houd je de verwachting levend? Door uit te delen. Door alleen te consumeren zal je geloof niet groeien, maar juist ook om door in liefde uit te delen. In liefde, het leven van Jezus te leven. Het Koninkrijk van God op aarde al vorm geven, dat doet ons verlangen naar het volmaakte waarvoor de komst van Jezus nodig is. Deze twee dingen zijn het harnas waar achter ons hart en onze vitale delen beschermd zijn.

 

Gebed: Koning Jezus, totdat U komt wil ik alles in deze wereld in het licht van Uw Koninkrijk zien en de strijd die daarmee gemoeid is. En tegelijkertijd wil ik strijden in geloof, maar ook in liefde. Laat Uw gerechtigheid niet alleen mijn deel, maar ook mijn levensdoel zijn.

Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen

Aanmelden 'Elke dag 5 minuten met God'

Wil je dagelijks de overdenkingen 'Elke dag 5 minuten met God' in je mailbox ontvangen? En als extra ook een opwekkingslied uit de rubriek 'Opwekking overdacht'?
Klik dan op deze link

Quote

God zegen over jouw plannen vragen is geen garantie voor zegen. God plan zoeken voor jouw leven is een garantie voor zegen.

Bijbelgedeelte 'Elke dag 5 minuten met God'

Onderstaand Bijbelgedeelte behoort bij de 'Elke dag 5 minuten met God' van vandaag.

 

Klik hier voor de 'Elke dag 5 minuten met God' van vandaag.

  

Richteren 15

 

1 En het gebeurde na enkele dagen, in de dagen van de tarweoogst, dat Simson zijn vrouw bezocht met een geitenbokje. En hij zei: Laat mij bij mijn vrouw de kamer binnengaan. Haar vader stond hem echter niet toe om naar binnen te gaan.
2 Want haar vader zei: Ik dacht  werkelijk dat je haar zeer haatte. Daarom heb ik haar aan je metgezel gegeven. Is haar jongste zuster niet knapper dan zij? Laat zij toch in haar plaats voor jou zijn.
3 Toen zei Simson tegen hen: Ik ben deze keer onschuldig tegenover de Filistijnen, als ik hun kwaad doe.
4 En Simson ging op weg en ving driehonderd vossen. Hij nam fakkels, keerde staart aan staart en maakte in het midden tussen elke twee staarten een fakkel vast.
5 Hij stak de fakkels aan  en liet ze door het staande koren van de Filistijnen lopen. Zo stak hij zowel de korenhopen als het staande koren in brand, alsook de wijngaarden en olijfbomen.
6 Toen zeiden de Filistijnen: Wie heeft dit gedaan? En men zei: Simson, de schoonzoon van de man uit Timna, omdat die zijn vrouw genomen en haar aan zijn metgezel gegeven heeft. Toen trokken de Filistijnen daarheen en verbrandden haar en haar vader met vuur.
7 Daarop zei Simson tegen hen: Als u zo doet, zeker, dan zal ik me op u wreken, en pas daarna ophouden.
8 En hij sloeg hun met een grote slag de botten stuk.  Daarna vertrok hij en ging in een kloof van de rots Etam wonen.
9 Toen trokken de Filistijnen op, sloegen hun kamp op tegen Juda en verspreidden zich in Lechi.
10 En de mannen van Juda zeiden: Waarom bent u tegen ons opgetrokken? En zij antwoordden: Wij zijn opgetrokken om Simson te binden, om met hem te doen, zoals hij met ons heeft gedaan.
11 Daarop kwamen drieduizend man uit Juda naar de kloof van de rots Etam en zij zeiden tegen Simson: Wist u niet dat de Filistijnen over ons heersen? Waarom hebt u ons dit dan aangedaan? Maar hij zei tegen hen: Zoals zij bij mij gedaan hebben, zo heb ik bij hen gedaan.
12 En zij zeiden tegen hem: Wij zijn gekomen om u te binden en over te leveren in de hand van de Filistijnen. En Simson zei tegen hen: Zweer mij dat ú mij niet zult doodsteken.
13 Daarop zeiden zij tegen hem: Nee, wij zullen u namelijk alleen binden en u in hun hand overleveren. Doden zullen wij u echter zeker niet. En zij bonden hem vast met twee nieuwe touwen en voerden hem mee van de rots.
14 Toen hij bij Lechi kwam, kwamen de Filistijnen hem juichend tegemoet. Maar de Geest van de HEERE werd vaardig over hem, en de touwen die om zijn armen zaten, werden als vlas dat door het vuur verbrand is. En zijn boeien vielen zomaar van zijn handen. 
15 En hij vond een verse ezelskaak. Hij stak zijn hand uit, nam die en sloeg er duizend man mee dood.
16 Toen zei Simson:
   Met een ezelskaak heb ik één hoop, twee hopen,
      met een ezelskaak heb ik duizend man doodgeslagen.
17 En het gebeurde, zodra hij uitgesproken was, dat hij de kaak uit zijn hand wierp; en hij noemde die plaats Ramath-Lechi. 
18 Maar toen hij hevig dorst kreeg, riep hij tot de HEERE en zei: Ú hebt door de hand van Uw dienaar deze grote verlossing gegeven. Zou ik dan nu van dorst sterven en in de hand van deze  onbesnedenen vallen?
19 Toen kloofde God de holte die er in Lechi is, en er kwam water uit. Hij dronk en daarop kwam zijn geest weer terug en leefde hij op. Daarom gaf hij hem de naam Bron van de roepende, die tot op deze dag in Lechi is.
20 En hij gaf leiding aan Israël in de dagen van de Filistijnen, twintig jaar lang.

www.eindeloosgelukkig.nl

Eindeloos gelukkig - Copyright © 2015. All Rights Reserved.

IBAN rekeningnummer: NL81 RABO 0301 9254 53 t.n.v. T.J.D. de Koning inzake 'Eindeloos gelukkig' te Nieuw-Lekkerland

Eindeloos gelukkig is financiëel geheel afhankelijk van giften. Elke gift is daarom van harte welkom