Jakob bij Bethel - Genesis 28

 

Heb je wel eens gedroomd? Wat droom je dan?

 

Jakob moest vluchten voor zijn broer Ezau en hij moest naar zijn oom Laban. Maar die woonde in Haran en dat lag niet naast de deur. Dus Jakob had een dag gelopen, maar hij was er nog niet. Maar als je vlucht voor je broer, heb je niet zoveel tijd om van alles te pakken en uitgebreid afscheid te nemen dus Jakob had eigenlijk niets bij zich. Maar Jakob kon ook niet door blijven lopen en hij moest ergens slapen. En daarbij, al zou die door willen, de zon was al onder, en het was ontzettend donker, dus hij kon ook helemaal niet meer zien waar hij liep. Maar er waren geen dorpjes in de buurt of een hut of huis of tent, dus Jakob moest in de open lucht slapen. Hij zocht een ronde steen op, en legde die neer als kussen.

 

En daar lag hij dan, helemaal alleen, gevlucht van huis, op een steen. Na een poosje viel Jakob in slaap en kreeg hij een droom. Hij droomde dat naast hem een ladder stond die tot in de hemel reikte. En op die ladder liepen engelen. Omhoog en omlaag. En boven aan die ladder stond God zelf. En God ging tegen hem praten.

 

“Ik ben de God van Abraham, van je vader Izak, en ook van jou Jakob. Het land waar je nu op ligt, dat zal ik aan jou en je kinderen geven. Zij zullen hier wonen en ze zullen gezegend worden. Ik zal je helpen Jakob en je beschermen. En je moet verder, maar ik zal je ook weer terug brengen in dit land.”

 

Toen Jakob wakker werd, was hij eigenlijk een beetje bang. Want wat had hij veel gezien. God was hier geweest! Hij zette zijn kussen, de steen, rechtop en goot er olie overheen. En hij noemde die plaats Bethel.  En Jakob beloofde wat aan God. Als U mij zult helpen, en mij beschermen, mij brood en kleding zal geven en zal zorgen dat ze me bij mijn oom goed zullen ontvangen, dan geloof ik dat U God bent.

 

En zo gaat Jakob weer verder naar zijn oom Laban. Na een poosje kwam hij in het land Haran en moest hij nog op zoek naar Laban. Want er waren nog geen straatnamen. Op een gegeven moment komt Jakob bij een waterput. Daar komen vaak wel mensen dus Jakob blijft hier een poosje zitten en inderdaad er komen mannen met hun schapen aan. “Hee, kennen jullie Laban?” “Ja die kennen wij wel!” “Okee, gaat het goed met hem?” “Ja het gaat prima, kijk daar komt zijn dochter Rachel aan.”

 

Jakob ziet Rachel inderdaad aankomen en helpt haar de dieren te drinken te geven. Dan begroeten ze elkaar en wat is Jakob blij dat hij zijn familie gevonden heeft. Rachel is zo overrompeld dat ze snel naar huis gaat, en haar vader Laban gaat halen. “Er is een neef van u bij de put, Jakob!” Laban gaat mee, en neemt Jakob mee naar huis. Jakob vertelt het hele verhaal, en hij mag bij Laban blijven werken.

 

Maar na een maand komt Laban naar hem toe. “Jakob, jij werkt hier nu voor mij, maar je moet toch iets krijgen. Waar wil jij nou voor werken?” “Nou.. Dat klinkt misschien een beetje raar, maar ik wil heel graag met u dochter Rachel trouwen. Ze is mooi en knap en ik wil haar heel graag tot vrouw hebben.” “Nou dat is goed, als jij zeven jaar voor haar werkt, krijg jij Rachel.” En zo wordt het afgesproken. En Jakob werkt zeven jaar hard voor Rachel. En na zeven jaar mogen ze eindelijk met elkaar trouwen. Er wordt een groot feest gehouden en de bruid heeft een mooie jurk aan met een grote sluier. De volgende morgen heerst er paniek in de tent. Jakob is wakker geworden naast zijn vrouw, maar het is Lea, de oudere zus van Rachel, die naast hem ligt, en niet Rachel.

 

Boos stapt Jakob naar Laban toe. “Wat is dit? Ik had gevraagd om Rachel en daar heb ik voor gewerkt. En nu heb ik Lea gekregen. Dat was niet de afspraak.” “Ja sorry Jakob, maar het is bij ons de gewoonte dat eerst de oudste dochter trouwt en daarna de jongste. Dus eerst moest Lea trouwen. Maar als je nu nog zeven jaar werkt, dan krijg je ook Rachel als vrouw.”

 

Jakob voelt dat hij bedrogen is, en misschien denkt hij ook wel terug aan wat hij zelf heeft gedaan bij zijn eigen vader.. Hij accepteert het, en werkt nog zeven jaar voor Rachel.

Tijd met God

Met Jezus opgestaan

 

"Ik ben met Christus gekruisigd; en niet meer ik leef, maar Christus leeft in mij; en voor zover ik nu in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God,  Die mij heeft liefgehad en Zichzelf voor mij heeft overgegeven." (Galaten 2:20)

Met de Heer begraven en weer opgestaan. De zin van die lied zullen velen lezers herkennen. En juist nu het weer Pasen is geworden, ligt voor ons gevoel natuurlijk de nadruk op ‘opgestaan’. En tegelijk, is het de vraag in hoeverre wij dit ook echt ervaren, beleven en vooral hoe wij dit leven. Klopt het dat ons leven een opstandingsleven is? Of leven wij nog meer bij Golgotha, dan bij het open graf? Want dat is wel een groot verschil.
Lees meer...

Aanmelden 'Tijd met God'

Meld je aan voor het gratis mailabonnement 'Tijd met God'. 
Aanmelden mailabonnement

Bijbelgedeelte

Onderstaand Bijbelgedeelte behoort bij 'Tijd met God' van dit moment.

 

Galaten 2:15-21

 15 Wij, die van nature Joden zijn, en geen zondaars uit de heidenen,
 16  weten dat een mens niet gerechtvaardigd wordt uit werken van de wet, maar door het geloof in Jezus Christus. En ook wij zijn in Christus Jezus gaan geloven, opdat wij gerechtvaardigd zouden worden uit het geloof van Christus en niet uit werken van de wet.  Immers, uit werken van de wet wordt geen vlees gerechtvaardigd. 
 17 Maar als wij, die in Christus verlangen gerechtvaardigd te worden, ook zelf zondaars blijken te zijn, is Christus dan een dienaar van de zonde? Volstrekt niet!

Lees meer...

Tweets Theo de Koning @TJD_de_Koning

Aanbevolen

Youtube-kanaal

www.eindeloosgelukkig.nl

Eindeloos gelukkig - Copyright © 2015. All Rights Reserved.

IBAN rekeningnummer: NL81 RABO 0301 9254 53 t.n.v. T.J.D. de Koning inzake 'Eindeloos gelukkig' te Nieuw-Lekkerland

Eindeloos gelukkig is financiëel geheel afhankelijk van giften. Elke gift is daarom van harte welkom