Jakob en Ezau - Genesis 25-27


God was begonnen met Abraham, uit hem zou een groot volk komen, en uiteindelijk ook Jezus. Izak was geboren en ook een zoon van Izak zou bij het volk van God horen en heel veel later zal uit hem Jezus geboren worden. Normaal zou dat de oudste jongen zijn en die krijgt dan de belangrijkste zegen mee van zijn vader.

 

En Izak krijgt inderdaad kinderen. Een tweeling. Twee jongetjes. Ezau en Jakob. En hoewel het weinig scheelde, was Ezau dus de oudste.

De jongens werden groter, en deze tweeling leek helemaal niet op elkaar. Ezau was een wilde jongen, die veel buiten was en jager werd. Hij was altijd weg. Jakob was een vriendelijk jongen, die veel bij huis bleef en schaapherder werd. Ook kookte Jakob vaak.

 

Op een dag kwam Ezau thuis en Jakob was aan het koken. Ezau had honger en hij wilde graag eten. “Geef mij eens wat van die soep! Ik heb ontzettende honger!” “Okee”, zei Jakob, “maar dan wil ik die belangrijke zegen, die eigenlijk voor jou is.” “Die zegen? Ach wat moet ik daar mee? Uiteindelijk sterf je toch, die zegen mag je hebben hoor!” “Zweer het dan.” En zo kreeg Jakob van Ezau die belangrijke zegen, in ruil voor een bord soep.

 

Een aantal jaar later is Izak oud geworden en blind en hij wil zijn jongens zegenen. Ezau de belangrijkste zegen en Jakob een gewone zegen. Dus hij roept Ezau bij zich. “Ezau, ga jij het veld in en schiet een dier voor mij. Maak dit klaar, zoals ik het lekker vind en als ik dit gegeten heb zal ik jou zegenen.” En Ezau gaat. Hij zegt niets over Jakob, maar hij gaat.

 

Rebecca, de vrouw van Izak, heeft alles gehoord, maar zij heeft ook gehoord dat de zegen voor Jakob was en niet voor Ezau. Snel roept ze Jakob bij zich. “Je vader heeft Ezau geroepen en gezegd dat hij een maaltijd moet klaar maken en dat hij Ezau daarna die belangrijke zegen zal geven. Maar die zegen moet jij krijgen!

 

Daarom moet jij nu twee geiten halen uit jouw kudde en dan zal ik ze zo klaar maken dat je vader denkt dat het wild is. En na het eten zal hij dan jou zegenen in plaats van Ezau.” “Ja maar, dat kan toch helemaal niet? Okee, mijn vader is blind, maar als ik binnen kom dan kan hij aan zoveel dingen merken dat ik niet Ezau ben. Ik ruik heel anders, ik heb weinig haar op mijn armen en Ezau juist heel veel. Dat merkt vader toch zo?” “Dan trek je toch kleren van Ezau aan? En als we die geitjes gaan braden, dan bewaren de huid, en dan doen we die over jou armen, zodat als je vader aan jou voelt dat hij haren voelt.”

 

En Jakob doet mee met het plan van zijn moeder. En een poosje later staat Jakob voor de tent van zijn vader. Ik denk dat hij vreselijk zenuwachtig is geweest. Wat als zijn vader het merkt?

 

Rebecca geeft hem het vlees voor zijn vader en duwt hem de tent binnen. “Zo vader, hier ben ik weer.” “Wie ben je?” “Ik ben Ezau en ik heb het eten bij me.” “Hoe kun jij nu al terug zijn?” “Ik heb heel snel een dier gevonden en God heeft me geholpen.” “Kom eens wat dichterbij? Dan kan ik je voelen.” Jakob komt met kloppend hart dichterbij. Zijn vader voelt aan zijn handen en armen, maar hij voelt eigenlijk aan de huid van de geitjes. Maar dat ziet zijn vader niet. “Ja, de huid is van Ezau.. Nou geef me het eten maar, dan zal ik je daarna zegenen.” En zo eet vader Izak het eten op. “Zoon, geef me eens een kus.” Jakob geeft zijn vader een kus en dan zegt zijn vader. “ Nu weet ik het zeker. Je stem klinkt niet helemaal zoals Ezau, maar je ruikt naar Ezau en je voelt als Ezau, jij bent Ezau.” En dan zegent Izak zijn zoon Jakob. Hij belooft daarmee dat God bij Jakob zal blijven en hem zal helpen.

 

Daarna gaat Jakob weg. Het is gelukt! Maar als hij nog maar net weg is komt Ezau thuis. Hij stapt de tent van zijn vader binnen. “Zo hier ben ik vader, ja sorry het duurde wat langer.” “Hé, wie ben jij dan?” “Ik ben Ezau!” Izak slaat zijn handen voor zijn gezicht. “Ezau, Jakob is hier net geweest en die deed of hij jou was. En nu heeft hij die belangrijke zegen gekregen.” “Dan geeft u mij die toch ook?” “Nee dat kan niet.” “Maar heeft u dan niets voor mij? Dat kan toch niet?” “Ik heb nog wel een zegen, maar die is veel kleiner en minder belangrijk. Die zal ik je wel geven.”

 

Ezau is woest! Hoewel hij die zegen eerst niet zo belangrijk leek te vinden, is hij nu ontzettend boos op zijn broer en hij wil hem het liefst doden. Maar Rebecca wil dat niet. En ze stuurt Jakob weg. “Jakob, je moet hier weg. Ezau is zo boos op je, dat hij je wil doden. Ga ver weg, naar een oom van mij. Daar moet je maar een poosje blijven wonen, tot Ezau wat minder boos is.”

 

En zo moet Jakob vluchten, hij heeft de zegen, maar op dit moment heeft hij er weinig aan. Maar Gods plan gaat door. Want God had aan Rebecca beloofd dat Jakob de zegen zou krijgen en niet Ezau. Dat is nu gebeurt. Alleen wel door liegen en bedrog. En Rebecca hoefde God niet te helpen, als God een plan heeft, dan hoeven mensen daar niet bij te helpen. Jakob heeft nu wel de belangrijke zegen gekregen en uit hem zal uiteindelijk Jezus geboren worden.

www.eindeloosgelukkig.nl

Eindeloos gelukkig - Copyright © 2015. All Rights Reserved.

IBAN rekeningnummer: NL81 RABO 0301 9254 53 t.n.v. T.J.D. de Koning inzake 'Eindeloos gelukkig' te Nieuw-Lekkerland

Eindeloos gelukkig is financiëel geheel afhankelijk van giften. Elke gift is daarom van harte welkom