Leven na kerst - Gezindheid van Christus

 

"Laat daarom die gezindheid in u zijn die ook in Christus Jezus was, Die hoewel Hij in de gestalte van God was, het niet als een roof beschouwd heeft aan God gelijk te zijn, maar Zichzelf ontledigd heeft door de gestalte van een slaaf aan te nemen en aan de mensen gelijk te worden." (Filippenzen 2:5-7)

 

Het is wel duidelijk dat de eerste opmerkingen van Paulus aan het begin van dit hoofdstuk niet eenvoudig zijn. Eigenlijk zou het je bijna tot wanhoop moeten brengen en ergens klopt het toch eigenlijk ook gewoon niet. Ja, natuurlijk is er bemoediging in Christus, natuurlijk zijn we verbonden aan Christus door Zijn Geest, maar is dan die nederigheid logisch? Ik weet niet hoe het met jou is, maar bij mij steigert er wel het een en ander.

 

 

 

Toch kiest Paulus er voor om op deze manier te beginnen en eigenlijk zit je dan nu op een punt dat je zegt: "Paulus, dan moet je nu maar eens even komen uitleggen waarom dit dan zo normaal moet zijn en hoe dit ooit kan." En Paulus doet dat. Hij zegt dan: "Laat daarom die gezindheid in je zijn die ook in Christus was." Het woordje 'daarom' lijkt terug te slaan op het voorgaande, maar dan klopt er van de zin niet veel meer. Daarom is een gevolg van dat wat ervoor is geschreven. Maar je kunt moeilijk zeggen: "Wees nederig, daarom moet je de gezindheid van Jezus in je hebben." Het woord 'daarom' heeft hier vooral de betekenis van de oplossing die dan volgt. Dus het wijst niet zozeer terug, maar het geeft veel meer aan hoe je dit kunt doen. Als dit dan moet, doe het daarom op deze manier. Meer in die zin.

 

Het is niet van deze wereld wat Paulus hier schrijft. Dat mag wel duidelijk zijn. Doe het daarom met de gezindheid van Christus. Dat is wat er eigenlijk staat. Het is inderdaad niet zoals iedereen om je heen het doet. Maar kijk eens naar Jezus en naar Zijn gezindheid. Wat deed Jezus? De woorden die daarna komen, zijn ook al niet zo eenvoudig te begrijpen. Als je deze zin in ene keer begrijpt, zou dat heel bijzonder zijn. Eigenlijk staat er zoiets als dit: Jezus was in de gestalte van God, Hij was God en Hij was aan God gelijk, maar toch was het voor Hem geen beroving van Zijn goddelijkheid door Zichzelf mens te laten worden. De zinsvolgorde is echt onmogelijk in deze verzen, maar dit staat er dus eigenlijk. Hij heeft Zichzelf ontledigd. 

 

Je zou dit het beste kunnen vertalen met dat Hij Zichzelf ontdaan heeft van Zijn God-zijn. Dat heeft Hij bewust afgelegd om ons te kunnen redden. Hij daalde zover af dat Hij Zijn Godheid als het ware parkeerde om jou en mij te kunnen bereiken. Dat was de gezindheid van Christus. En de gezindheid van Christus te hebben betekent letterlijk 'te willen wat Hij ook wilde'. Of eigenlijk misschien nog wel verder: Te doen wat Hij ook deed. Uiteindelijk om de bemoediging te kunnen zijn die Hij ook was. Hij maakte Zichzelf tot een slaaf, zo diep wilde Hij gaan, terwijl wij de slaaf hadden moeten worden. Hij daalde af tot ons niveau. En wil jij afdalen tot het niveau van de ander, om zo de gezindheid van Jezus te hebben?

 

Gebed: Jezus, Uw gezindheid, wat een worsteling, het voelt zo, zo oneerlijk en zo niet kloppend. Geef mij meer van Uw Geest, anders kan ik dit echt niet.

Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen

Aanmelden 'Elke dag 5 minuten met God'

Wil je dagelijks de overdenkingen 'Elke dag 5 minuten met God' in je mailbox ontvangen? En als extra ook een opwekkingslied uit de rubriek 'Opwekking overdacht'?
Klik dan op deze link

Quote

God zegen over jouw plannen vragen is geen garantie voor zegen. God plan zoeken voor jouw leven is een garantie voor zegen.

Tweets Theo de Koning @TJD_de_Koning

Bijbelgedeelte 'Elke dag 5 minuten met God'

Onderstaand Bijbelgedeelte behoort bij de 'Elke dag 5 minuten met God' van vandaag.

 

Klik hier voor de 'Elke dag 5 minuten met God' van vandaag.

  

Richteren 15

 

1 En het gebeurde na enkele dagen, in de dagen van de tarweoogst, dat Simson zijn vrouw bezocht met een geitenbokje. En hij zei: Laat mij bij mijn vrouw de kamer binnengaan. Haar vader stond hem echter niet toe om naar binnen te gaan.
2 Want haar vader zei: Ik dacht  werkelijk dat je haar zeer haatte. Daarom heb ik haar aan je metgezel gegeven. Is haar jongste zuster niet knapper dan zij? Laat zij toch in haar plaats voor jou zijn.
3 Toen zei Simson tegen hen: Ik ben deze keer onschuldig tegenover de Filistijnen, als ik hun kwaad doe.
4 En Simson ging op weg en ving driehonderd vossen. Hij nam fakkels, keerde staart aan staart en maakte in het midden tussen elke twee staarten een fakkel vast.
5 Hij stak de fakkels aan  en liet ze door het staande koren van de Filistijnen lopen. Zo stak hij zowel de korenhopen als het staande koren in brand, alsook de wijngaarden en olijfbomen.
6 Toen zeiden de Filistijnen: Wie heeft dit gedaan? En men zei: Simson, de schoonzoon van de man uit Timna, omdat die zijn vrouw genomen en haar aan zijn metgezel gegeven heeft. Toen trokken de Filistijnen daarheen en verbrandden haar en haar vader met vuur.
7 Daarop zei Simson tegen hen: Als u zo doet, zeker, dan zal ik me op u wreken, en pas daarna ophouden.
8 En hij sloeg hun met een grote slag de botten stuk.  Daarna vertrok hij en ging in een kloof van de rots Etam wonen.
9 Toen trokken de Filistijnen op, sloegen hun kamp op tegen Juda en verspreidden zich in Lechi.
10 En de mannen van Juda zeiden: Waarom bent u tegen ons opgetrokken? En zij antwoordden: Wij zijn opgetrokken om Simson te binden, om met hem te doen, zoals hij met ons heeft gedaan.
11 Daarop kwamen drieduizend man uit Juda naar de kloof van de rots Etam en zij zeiden tegen Simson: Wist u niet dat de Filistijnen over ons heersen? Waarom hebt u ons dit dan aangedaan? Maar hij zei tegen hen: Zoals zij bij mij gedaan hebben, zo heb ik bij hen gedaan.
12 En zij zeiden tegen hem: Wij zijn gekomen om u te binden en over te leveren in de hand van de Filistijnen. En Simson zei tegen hen: Zweer mij dat ú mij niet zult doodsteken.
13 Daarop zeiden zij tegen hem: Nee, wij zullen u namelijk alleen binden en u in hun hand overleveren. Doden zullen wij u echter zeker niet. En zij bonden hem vast met twee nieuwe touwen en voerden hem mee van de rots.
14 Toen hij bij Lechi kwam, kwamen de Filistijnen hem juichend tegemoet. Maar de Geest van de HEERE werd vaardig over hem, en de touwen die om zijn armen zaten, werden als vlas dat door het vuur verbrand is. En zijn boeien vielen zomaar van zijn handen. 
15 En hij vond een verse ezelskaak. Hij stak zijn hand uit, nam die en sloeg er duizend man mee dood.
16 Toen zei Simson:
   Met een ezelskaak heb ik één hoop, twee hopen,
      met een ezelskaak heb ik duizend man doodgeslagen.
17 En het gebeurde, zodra hij uitgesproken was, dat hij de kaak uit zijn hand wierp; en hij noemde die plaats Ramath-Lechi. 
18 Maar toen hij hevig dorst kreeg, riep hij tot de HEERE en zei: Ú hebt door de hand van Uw dienaar deze grote verlossing gegeven. Zou ik dan nu van dorst sterven en in de hand van deze  onbesnedenen vallen?
19 Toen kloofde God de holte die er in Lechi is, en er kwam water uit. Hij dronk en daarop kwam zijn geest weer terug en leefde hij op. Daarom gaf hij hem de naam Bron van de roepende, die tot op deze dag in Lechi is.
20 En hij gaf leiding aan Israël in de dagen van de Filistijnen, twintig jaar lang.

www.eindeloosgelukkig.nl

Eindeloos gelukkig - Copyright © 2015. All Rights Reserved.

IBAN rekeningnummer: NL81 RABO 0301 9254 53 t.n.v. T.J.D. de Koning inzake 'Eindeloos gelukkig' te Nieuw-Lekkerland

Eindeloos gelukkig is financiëel geheel afhankelijk van giften. Elke gift is daarom van harte welkom