Broers en zussen

 

"Immers, zowel Hij Die heiligt als zij die geheiligd worden, zijn allen uit één. Daarom schaamt Hij Zich er niet voor hen broeders te noemen." (Hebreeën 2:11)

 

Een stuk van het lijden van Jezus, waarin ook voor Hem onbegrijpelijke vreugde in zit, is het feit dat Jezus de gelovigen Zijn broeders noemt. En we zullen daarin de zusters niet vergeten. Want dat is wat, dat God Zelf, in Jezus naar deze aarde kwam en tegen jou zegt: Je bent Mijn broer of je bent Mijn zus. Als je hier over nadenkt, dan schieten woorden te kort. Jezus schaamt Zich niet om de gelovigen broers en zussen te noemen. Hij schaamt Zich daar niet eens voor. En dan moet je even bedenken wat jij in je leven al verkeerd hebt gedaan en hoe vaak je Hem al bent tegengevallen.

 

Toch maakt de schrijver ons hier, met tekstgedeelten erbij duidelijk dat het toch echt zo is. Eigenlijk is dit een regelrechte afgang dat God Zichzelf, in de Zoon, zo met ons identificeert of dat wij tot dit Goddelijke niveau worden opgetilt.

 

Al eerder dachten we na over het feit dat Johannes zegt dat wij door het aannemen van Jezus, macht hebben gekregen om kinderen van God te worden. Maar eigenlijk staat in deze tekst bijna hetzelfde. Want Hij Die heiligt èn zij die geheiligt worden, zijn uit één. Jezus is het die heiligt. Hij is Degene door Wie elke gelovige apart wordt gezet. Want dit is de uitleg van het woord 'heiligen'. Jezus zet ons, door het geloof apart van de rest van de wereld. Niet om ons daarmee boven de wereld te verheffen, maar wel om ons op dezelfde manier te gebruiken zoals Hij door God werd gebruikt. Want als we één zijn met Hem, dan worden we vandaag ook opgeroepen om één te zijn in het lijden omwille van Zijn Naam.

 

Wij worden, of eigenlijk, wij zijn geheiligd door het geloof in Jezus en het werk dat Hij voor ons heeft gedaan. En daardoor zijn wij allen uit één. Misschien is dat laatste zinnetje een lastige. Toch is dit waar het om gaat. Alle gelovigen zijn één, maar we zijn ook door het geloof allemaal uit één. Sommigen denken dat het dan gaat over het feit dat Jezus ook een lichaam kreeg. Het is echter veel aannemelijker dat het hier gaat over dat de afkomst dezelfde is en dat dit wijst op het feit dat zowel Hij Die heiligt als zij die geheiligt worden van dezelfde Vader zijn.

 

Jezus was immers de Leidsman Die veel kinderen tot de heerlijkheid wilde brengen. En ook het feit dat Hij Zich niet schaamt om ons broers en zussen te noemen wijst hierop. Zowel Hij als wij zijn uit Eén. We zijn door wedergeboorte ontstaan uit Dezelfde Vader. Laat dit je troost zijn in al je strijd en moeilijkheden: Je hebt een Broer in Jezus. En Broer Die altijd en in alle omstandigheden je zal beschermen en zal leiden. En jij bent niet te min dat Hij je broer of zus noemt. Want wie zijn Mijn broers en zussen en moeder? Dat zijn degenen die Mijn wil doen.

 

Gebed: Heere Jezus, dank U wel dat U Zich niet schaamt om mij Uw broer te noemen. Door het geloof ben ik door Uw Vader aangenomen. En ik ben Zijn kind en U liet de hemel achter U om hier op aarde broers en zussen te maken om straks in de hemel straks ene grote familie te mogen zijn met U.

Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen

Aanmelden 'Elke dag 5 minuten met God'

Wil je dagelijks de overdenkingen 'Elke dag 5 minuten met God' in je mailbox ontvangen? En als extra ook een opwekkingslied uit de rubriek 'Opwekking overdacht'?
Klik dan op deze link

Quote

God zegen over jouw plannen vragen is geen garantie voor zegen. God plan zoeken voor jouw leven is een garantie voor zegen.

Tweets Theo de Koning @TJD_de_Koning

Bijbelgedeelte 'Elke dag 5 minuten met God'

Onderstaand Bijbelgedeelte behoort bij de 'Elke dag 5 minuten met God' van vandaag.

 

Klik hier voor de 'Elke dag 5 minuten met God' van vandaag.

  

Richteren 15

 

1 En het gebeurde na enkele dagen, in de dagen van de tarweoogst, dat Simson zijn vrouw bezocht met een geitenbokje. En hij zei: Laat mij bij mijn vrouw de kamer binnengaan. Haar vader stond hem echter niet toe om naar binnen te gaan.
2 Want haar vader zei: Ik dacht  werkelijk dat je haar zeer haatte. Daarom heb ik haar aan je metgezel gegeven. Is haar jongste zuster niet knapper dan zij? Laat zij toch in haar plaats voor jou zijn.
3 Toen zei Simson tegen hen: Ik ben deze keer onschuldig tegenover de Filistijnen, als ik hun kwaad doe.
4 En Simson ging op weg en ving driehonderd vossen. Hij nam fakkels, keerde staart aan staart en maakte in het midden tussen elke twee staarten een fakkel vast.
5 Hij stak de fakkels aan  en liet ze door het staande koren van de Filistijnen lopen. Zo stak hij zowel de korenhopen als het staande koren in brand, alsook de wijngaarden en olijfbomen.
6 Toen zeiden de Filistijnen: Wie heeft dit gedaan? En men zei: Simson, de schoonzoon van de man uit Timna, omdat die zijn vrouw genomen en haar aan zijn metgezel gegeven heeft. Toen trokken de Filistijnen daarheen en verbrandden haar en haar vader met vuur.
7 Daarop zei Simson tegen hen: Als u zo doet, zeker, dan zal ik me op u wreken, en pas daarna ophouden.
8 En hij sloeg hun met een grote slag de botten stuk.  Daarna vertrok hij en ging in een kloof van de rots Etam wonen.
9 Toen trokken de Filistijnen op, sloegen hun kamp op tegen Juda en verspreidden zich in Lechi.
10 En de mannen van Juda zeiden: Waarom bent u tegen ons opgetrokken? En zij antwoordden: Wij zijn opgetrokken om Simson te binden, om met hem te doen, zoals hij met ons heeft gedaan.
11 Daarop kwamen drieduizend man uit Juda naar de kloof van de rots Etam en zij zeiden tegen Simson: Wist u niet dat de Filistijnen over ons heersen? Waarom hebt u ons dit dan aangedaan? Maar hij zei tegen hen: Zoals zij bij mij gedaan hebben, zo heb ik bij hen gedaan.
12 En zij zeiden tegen hem: Wij zijn gekomen om u te binden en over te leveren in de hand van de Filistijnen. En Simson zei tegen hen: Zweer mij dat ú mij niet zult doodsteken.
13 Daarop zeiden zij tegen hem: Nee, wij zullen u namelijk alleen binden en u in hun hand overleveren. Doden zullen wij u echter zeker niet. En zij bonden hem vast met twee nieuwe touwen en voerden hem mee van de rots.
14 Toen hij bij Lechi kwam, kwamen de Filistijnen hem juichend tegemoet. Maar de Geest van de HEERE werd vaardig over hem, en de touwen die om zijn armen zaten, werden als vlas dat door het vuur verbrand is. En zijn boeien vielen zomaar van zijn handen. 
15 En hij vond een verse ezelskaak. Hij stak zijn hand uit, nam die en sloeg er duizend man mee dood.
16 Toen zei Simson:
   Met een ezelskaak heb ik één hoop, twee hopen,
      met een ezelskaak heb ik duizend man doodgeslagen.
17 En het gebeurde, zodra hij uitgesproken was, dat hij de kaak uit zijn hand wierp; en hij noemde die plaats Ramath-Lechi. 
18 Maar toen hij hevig dorst kreeg, riep hij tot de HEERE en zei: Ú hebt door de hand van Uw dienaar deze grote verlossing gegeven. Zou ik dan nu van dorst sterven en in de hand van deze  onbesnedenen vallen?
19 Toen kloofde God de holte die er in Lechi is, en er kwam water uit. Hij dronk en daarop kwam zijn geest weer terug en leefde hij op. Daarom gaf hij hem de naam Bron van de roepende, die tot op deze dag in Lechi is.
20 En hij gaf leiding aan Israël in de dagen van de Filistijnen, twintig jaar lang.

www.eindeloosgelukkig.nl

Eindeloos gelukkig - Copyright © 2015. All Rights Reserved.

IBAN rekeningnummer: NL81 RABO 0301 9254 53 t.n.v. T.J.D. de Koning inzake 'Eindeloos gelukkig' te Nieuw-Lekkerland

Eindeloos gelukkig is financiëel geheel afhankelijk van giften. Elke gift is daarom van harte welkom