Als een dief in de nacht

 

"Maar u broeders (en zusters), bent niet in de duisternis, zodat die dag u als een dief zou overvallen." (1 Thessalonicenzen 5:4)

 

Het is dus ondertussen duidelijk geworden hoe het er aan toe zal gaan op het moment dat Jezus straks terugkomt. Als gelovigen zullen we Hem op aarde welkom heten. Maar tegelijk is het voor de ongelovigen een dag van verschrikking en oordeel. Jezus zegt daar Zelf van dat degenen die niet geloven zullen smeken of de bergen op hen mogen vallen. Maar wanneer is dan deze dag? Als Paulus al dacht dat hij deze dag zou gaan meemaken terwijl hij nog leefde en we zijn nu meer dan 2000 jaar verder, hoelang kan het dan nog duren?

Het duurt bij God in ieder geval niet te lang. Het gebeurt vanuit Gods eeuwigheid precies op tijd. En voor God zijn duizend jaar als één dag en één dag als duizend jaar. Maar hoelang moeten wij dan nog wachten? En hoeveel tijd krijgen degenen die niet geloven nog om zich te bekeren? Paulus is er duidelijk over. Jezus zal komen als een dief in de nacht. Dus eigenlijk op het moment dat niemand Hem verwacht. Dat is ook wat we vaak zeggen als het gaat over de wederkomst. Het zal totaal onverwachts zijn. Maar toch kunnen we ons afvragen of dit werkelijk waar is.

 

Paulus benadert het in ieder geval op een andere manier. De gemeente in Thessalonica weet wel heel goed dat Jezus zal komen als een dief in de nacht. Maar dat geldt alleen maar voor degenen die van de duisternis zijn. Paulus zegt tegen de gelovigen in Thessalonica: "U bent niet in de duisternis, zodat die dag u als een dief zou overvallen." Degenen die niet in Jezus geloven en in de duisternis van hun bestaan leven, voor hen geldt dat Jezus er plotseling en onverwacht zal zijn. Maar voor de gelovigen geldt dat ze kinderen van het Licht zijn. 

 

Als gelovigen zijn wij Koningskinderen van het Koninkrijk van het Licht. Straks in de hemel zal er geen duisternis meer zijn, maar zal het alleen maar licht zijn. De nacht zal daar niet meer zijn. En nu zijn wij al niet meer van de nacht. Geestelijk leven wij al in het licht. En de kinderen van het Licht zullen onmogelijk als in de nacht overvallen kunnen worden. In Christus zijn we immers kinderen van het Licht. Dus de plotselinge overval van Jezus in de nacht van hun leven, geldt alleen voor degenen die niet van Jezus' genade leven. En zij zullen zeggen: "Vrede, vrede en geen gevaar."

 

Maar wij die geloven zien uit naar de wederkomst. Dat blijkt ook wel uit de reacties uit de gemeente van Thessalonica. Als Jezus in die tijd was teruggekomen, dan waren zij echt niet verrast zoals je door een dief in de nacht verrast kunt worden. Die mensen daar waren zelfs gestopt met werken omdat ze alleen maar met verwachten bezig waren. En als dit nu zo is, laten wij dan waakzaam zijn en niet slapen. Laten we geen kerk van slapende gelovigen zijn, maar laten wij wakker en waakzaam zijn. Jezus komt en wij zullen het onverwachts verderf niet meemaken, want wij zien uit naar de dag van Jezus' komst.

 

Gebed: Koning Jezus, ik wil leven als een kind van het Licht en U dagelijks verwachten. Achter iedere wolk wil ik Uw komst verwachten. En als U komt, sta ik klaar om U op aarde tre ontvangen als mijn Koning.

Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen

Aanmelden 'Elke dag 5 minuten met God'

Wil je dagelijks de overdenkingen 'Elke dag 5 minuten met God' in je mailbox ontvangen? En als extra ook een opwekkingslied uit de rubriek 'Opwekking overdacht'?
Klik dan op deze link

Quote

God zegen over jouw plannen vragen is geen garantie voor zegen. God plan zoeken voor jouw leven is een garantie voor zegen.

Bijbelgedeelte 'Elke dag 5 minuten met God'

Onderstaand Bijbelgedeelte behoort bij de 'Elke dag 5 minuten met God' van vandaag.

 

Klik hier voor de 'Elke dag 5 minuten met God' van vandaag.

  

Richteren 15

 

1 En het gebeurde na enkele dagen, in de dagen van de tarweoogst, dat Simson zijn vrouw bezocht met een geitenbokje. En hij zei: Laat mij bij mijn vrouw de kamer binnengaan. Haar vader stond hem echter niet toe om naar binnen te gaan.
2 Want haar vader zei: Ik dacht  werkelijk dat je haar zeer haatte. Daarom heb ik haar aan je metgezel gegeven. Is haar jongste zuster niet knapper dan zij? Laat zij toch in haar plaats voor jou zijn.
3 Toen zei Simson tegen hen: Ik ben deze keer onschuldig tegenover de Filistijnen, als ik hun kwaad doe.
4 En Simson ging op weg en ving driehonderd vossen. Hij nam fakkels, keerde staart aan staart en maakte in het midden tussen elke twee staarten een fakkel vast.
5 Hij stak de fakkels aan  en liet ze door het staande koren van de Filistijnen lopen. Zo stak hij zowel de korenhopen als het staande koren in brand, alsook de wijngaarden en olijfbomen.
6 Toen zeiden de Filistijnen: Wie heeft dit gedaan? En men zei: Simson, de schoonzoon van de man uit Timna, omdat die zijn vrouw genomen en haar aan zijn metgezel gegeven heeft. Toen trokken de Filistijnen daarheen en verbrandden haar en haar vader met vuur.
7 Daarop zei Simson tegen hen: Als u zo doet, zeker, dan zal ik me op u wreken, en pas daarna ophouden.
8 En hij sloeg hun met een grote slag de botten stuk.  Daarna vertrok hij en ging in een kloof van de rots Etam wonen.
9 Toen trokken de Filistijnen op, sloegen hun kamp op tegen Juda en verspreidden zich in Lechi.
10 En de mannen van Juda zeiden: Waarom bent u tegen ons opgetrokken? En zij antwoordden: Wij zijn opgetrokken om Simson te binden, om met hem te doen, zoals hij met ons heeft gedaan.
11 Daarop kwamen drieduizend man uit Juda naar de kloof van de rots Etam en zij zeiden tegen Simson: Wist u niet dat de Filistijnen over ons heersen? Waarom hebt u ons dit dan aangedaan? Maar hij zei tegen hen: Zoals zij bij mij gedaan hebben, zo heb ik bij hen gedaan.
12 En zij zeiden tegen hem: Wij zijn gekomen om u te binden en over te leveren in de hand van de Filistijnen. En Simson zei tegen hen: Zweer mij dat ú mij niet zult doodsteken.
13 Daarop zeiden zij tegen hem: Nee, wij zullen u namelijk alleen binden en u in hun hand overleveren. Doden zullen wij u echter zeker niet. En zij bonden hem vast met twee nieuwe touwen en voerden hem mee van de rots.
14 Toen hij bij Lechi kwam, kwamen de Filistijnen hem juichend tegemoet. Maar de Geest van de HEERE werd vaardig over hem, en de touwen die om zijn armen zaten, werden als vlas dat door het vuur verbrand is. En zijn boeien vielen zomaar van zijn handen. 
15 En hij vond een verse ezelskaak. Hij stak zijn hand uit, nam die en sloeg er duizend man mee dood.
16 Toen zei Simson:
   Met een ezelskaak heb ik één hoop, twee hopen,
      met een ezelskaak heb ik duizend man doodgeslagen.
17 En het gebeurde, zodra hij uitgesproken was, dat hij de kaak uit zijn hand wierp; en hij noemde die plaats Ramath-Lechi. 
18 Maar toen hij hevig dorst kreeg, riep hij tot de HEERE en zei: Ú hebt door de hand van Uw dienaar deze grote verlossing gegeven. Zou ik dan nu van dorst sterven en in de hand van deze  onbesnedenen vallen?
19 Toen kloofde God de holte die er in Lechi is, en er kwam water uit. Hij dronk en daarop kwam zijn geest weer terug en leefde hij op. Daarom gaf hij hem de naam Bron van de roepende, die tot op deze dag in Lechi is.
20 En hij gaf leiding aan Israël in de dagen van de Filistijnen, twintig jaar lang.

www.eindeloosgelukkig.nl

Eindeloos gelukkig - Copyright © 2015. All Rights Reserved.

IBAN rekeningnummer: NL81 RABO 0301 9254 53 t.n.v. T.J.D. de Koning inzake 'Eindeloos gelukkig' te Nieuw-Lekkerland

Eindeloos gelukkig is financiëel geheel afhankelijk van giften. Elke gift is daarom van harte welkom